De tuffelkelder

Het Twentse woord voor aardappel is ‘tuffel’. Een tuffelkelder is dus niets meer of minder dan een opslagplaats voor aardappelen. In Twente is de aardappel op grote schaal ‘ontdekt’ tussen 1750 en 1775. Met name ook vanwege het feit dat de graanprijzen na 1760 onrustbarend stegen, gingen Twentse boeren meer en meer aardappelen verbouwen. Bekende rassen in die tijd waren de Rode Ster, de Eigenheimer en de Ultimus. Behalve voor eigen consumptie, werden de aardappelen ook als veevoer gebruikt.

Om de aardappelen tijdens de wintermaanden te kunnen bewaren en te beschermen tegen vocht en vorst, werden ze opgeslagen in een kelder. Deze werd bij voorkeur op een droge plaats gebouwd, indien mogelijk tegen een houtwal, en - per streek verschillend- een halve meter in de grond uitgegraven. Het dak en de wanden werden bekleed met heideplaggen. De gevel werd gemaakt van heidestruiken. Dit materiaal was voorhanden en isoleert erg goed. Uniek voor Twente is, dat voor de bouw van tuffelkelders in het Dinkelgebied ook gebruik werd gemaakt van Bentheimer zandsteen.

Op Erve Kraesgenberg is de tuffelkelder in gebruik voor de opslag van materialen.

2003 8 augustus 112